Op 16 februari 1945 had de toen 21-jarige Joodse Henny Brenner uit Dresden gedeporteerd moeten worden. Maar het bombardement dat tienduizenden plaatsgenoten het leven kostte, was haar redding. In de chaos die daarop ontstond kon ze vluchtten.
Als dochter van een Joodse moeder en een Duitse vader had Henny het een groot deel van de oorlogsjaren minder erg gehad dan 'volledige joden'. Maar uitsluiting, gedwongen school-verandering, dwangarbeid en permanente angst voor erger stempelden het leven van het meisje dat in deze jaren vrouw werd.
En uiteindelijk kwam daadwerkelijk het deportatiebevel van de Gestapo. Een deportatie die zou moeten leiden tot haar dood in een concentratiekamp. Maar uitgerekend het bommeninferno op Dresden, waarin zovelen de dood vonden, redde haar leven. Ook al speurde de Gestapo in de verwoeste stad verwoed naar overlevende Joden.